In 2013 en 2014 heb ik voor een gemeente een pilot opgezet met de begeleiding van vijf multiprobleemgezinnen door een coach. Het uitgangspunt was simpel: één gezin, één plan, één regisseur.
Er werd bewust tijd vrijgemaakt. In de praktijk bleek dat gemiddeld negen uur per week voor twee à drie huishoudens nodig was. Vooral voor huisbezoeken, maar ook voor afstemming met betrokken organisaties, verslaglegging en supervisie.
En juist die tijd, maar ook de flexibiliteit, maakte het verschil. Hierdoor konden samen met het huishouden doelen worden behaald. Doordat een coach langer betrokken is, wordt een relatie opgebouwd en is het mogelijk om de patronen binnen een gezin te leren kennen die ervoor hebben gezorgd dat mensen in bepaalde situaties zijn geraakt. Deze kunnen vervolgens met het huishouden worden gespiegeld.
Wat waren de uitkomsten?
De gezinnen gaven aan dat de coach:
Bij alle huishoudens lukte het om een vertrouwensband op te bouwen en te behouden. Er kwam meer structuur, gezinnen leerden zelf meer zaken op te pakken en op één of meerdere leefgebieden werd vooruitgang geboekt.
Ook de betrokken organisaties zagen duidelijke meerwaarde. Door gezamenlijk prioriteiten en doelen te bepalen, werd minder langs elkaar heen gewerkt. Het gezinsplan hielp om breed te kijken: wat speelt er, wat kan het gezin zelf, wat kan het netwerk betekenen en waar is professionele ondersteuning nodig?
De belangrijkste opbrengst was misschien wel dat er samenhang ontstond. Voor het gezin én tussen professionals.
We weten dus wat werkt
Ruim tien jaar later praten we opnieuw over integraal werken, nabijheid, één gezin, één plan en regie bij de inwoner. Maar veel daarvan weten we al. We weten dat complexe huishoudens gebaat zijn bij een professional die tijd heeft. Die aanwezig kan zijn. Die vertrouwen kan opbouwen. Die patronen leert herkennen. Die niet alleen verwijst, maar ook zelf naast een huishouden blijft staan. En die ervoor zorgt dat professionals niet ieder vanuit hun eigen stukje blijven werken.
Intensief ondersteunen kost aan de voorkant meer tijd. Maar te weinig investeren kan uiteindelijk veel duurder zijn: problemen lopen verder op, zwaardere hulp is nodig en gezinnen komen opnieuw in beeld. En als het eenmaal stabieler is, hoeft intensieve begeleiding niet eindeloos door te gaan. Dan kan een waakvlamfunctie helpen: laagfrequent contact houden en snel kunnen opschalen als dat nodig is.
De vraag is dus niet zozeer wat werkt, maar of we daar ook daadwerkelijk in willen investeren. Anders gooien we het kind met het badwater weg.