Een inwoner heeft een vraag. Thuis loopt de spanning op, er zijn schulden, zorgen over een kind of er speelt van alles tegelijk. Die inwoner wil eigenlijk maar één ding: beantwoord mijn vraag of help me aan de ondersteuning die nodig is.
Daar hebben we in het sociaal domein en het zorgdomein veel voor georganiseerd. Van verschillende toegangen en stevige lokale teams tot voorliggende voorzieningen, eerstelijnszorg en (specialistische aanbieders). Allemaal met kennis, deskundigheid en goede bedoelingen.
Maar bij elkaar hebben we er wel een ingewikkeld speelveld van gemaakt. We hebben verschillende wetten, zoals de Wmo, Jeugdwet, Participatiewet en Wlz. En veel organisaties met ieder een eigen opdracht, doelgroep, voorwaarden en contra-indicaties. Je kunt ergens terecht voor het ene probleem, maar als er ook iets anders speelt, pas je soms ineens niet meer.
Voor een professional is het al uitzoeken. Wie doet wat? Waar kan iemand terecht? Wie kan helpen als er meerdere dingen tegelijk spelen? En uit welk potje moet het worden betaald?
Laat staan dat een inwoner daar zijn weg in vindt. Die heeft een vraag, geen sociale kaart in zijn hoofd.
Ik zie veel goede wil. Professionals die zich inzetten, organisaties die willen samenwerken en gemeenten die de ondersteuning goed willen regelen. Alleen organiseren we dat nog vaak vanuit onze eigen opdracht, wet of organisatie. Ieder stukje is uit te leggen. Maar probeer het geheel maar eens te begrijpen.
De inwoner heeft ondersteuning nodig. Wij moeten eerst uitzoeken hoe die ondersteuning binnen onze wetten, voorwaarden en organisaties past. We spreken dan over een complexe hulpvraag. Maar een deel van die complexiteit zit ook in de complexiteit van het veld wat we hebben gecreëerd. Is de vraag van de inwoner dan ingewikkeld, of hebben wij het antwoord ingewikkeld georganiseerd?